donderdag 29 maart 2012

Opdracht 4

Wij hebben uitleg nodig van vorige week.

Wij leren een dag van te voren.

dinsdag 13 maart 2012

Vragen bij hoofdstuk 7 opdracht 2

1.       Wat is het verschil tussen triviale namen en rationele namen?
2.       Wat geeft een verhoudingsforumele aan?
3.       Wat zijn covalenten?
4.       Maak een verhoudings fomule van NaCl, en geeft de fase aan.
5.       Wat is hydratatie?
6.       Wat is Natronloog?
7.       Wat gebeurt er als een oplosbare metaaloxiden met water in contact zit?
8.       Wat zijn zouten?

maandag 5 maart 2012

Bindingen

Hoofdstuk 6 chemische binding en roostertypen

6.1
Atomen kunnen zich op drie verschillende manieren aan elkaar verbonden worden.
-       Ionbinden
-       Metaalbingen
-       Atoombindingen

Een ion binding is een binding tussen de positieve en de negatief elektronen. Ionen zijn atomen die 1 of meer elektronen heeft opgenomen of heeft afgestaan. Io binding komt voor bij combinatie van een metaal en een niet metaal. Het type verbindingen wordt zouten genoemd.

Een metaal is van naturen ongeladen. Het wordt altijd positief als het reageert met een niet-metaal. Dit kan worden getest door een coulomb. Metalen hebben steeds positieve elektrovalenties. Niet-metaal wordt altijd negatief. Je kunt het aantal elektronen uit het pr afleiden. Elektrovalentie wordt ook vaak valentie genoemd, een ander woord hiervoor is waardigheid. Met behulp van de valentie kunnen we gemakkelijk de verhouding tussen het aantal ionen in een zout vinden. We spreken niet over een molecuulformule maar over een verhoudingsformule.

Naamgeving Zouten

Naamgeving van zouten:

In de chemie kennen we 2 soorten stoffen; moleculaire stoffen en zouten.  Je gaat altijd eerst kijken of de stof een zout is. Je kan een zout herkenen aan: Het eerste deel van de naam is een metaal en daarna komt een niet-metaal. Is het geen zout dan is het een moleculaire stof.

Voorbeeld 1:   P2O5
                        P = Fosfor = niet-metaal
                        O = Zuurstof = Niet-metaal
                                                                                            
Conclusie:      geen zout


Voorbeeld 2:   MgO
                        Mg = Magnesium = metaal
                        O = Zuurstof = Niet-metaal

Conclusie:      een zout


Voorbeeld 2 is een zout, maar er is wel een verschillen tussen de naamgeving van zouten en moleculaire stoffen. Bij moleculaire stoffen geven we het aantal atomen wel aan en bij zouten niet.

Uitgangen voor moleculaire stoffen:
1          =          mono                                                  4          =          tetra
2          =          di                                                        5          =          penta
3          =          tri                                                        6          =          hexa


Voorbeeld 3:   Je hebt 2 fosfor = difosfor
                        Je heb 5 zuurstof = pentaoxide
                        De naam van P2O5 = difosforpentaoxide


Voorbeeld 4:   De naam van MgO = Magnesiumoxide.


Bij zouten kijken je altijd naar het aantal ionen van het element. Metalen geven graag de elektronen weg, waardoor ze positief worden. Niet-metalen ontvangen graag elektronen, waardoor ze negatief worden. Een kermerk van een zout is, dat een zout altijd niet-geladen is.

Voorbeeld 5:   We hebben het zout natriumfosfaat (Na)(PO4)

                        Natrium = Na1+
                        Fosfaat = PO43-

                        We zien dat nu de totale lading 2- is, dus hebben we nog 2+ nodig, natrium                     heeft 1+. We hebben in totaal 3 natrium nodig.

                        Formule:         Na3PO4
                        Naam:             Natriumfosfaat.


Voorbeeld 6:   We hebben het zout Aluminiumsulfaat(Al)(SO4)

                        Aluminium = Al3+
                        Sulfaatt = SO42-

            1)         We zien dat de totale lading1+ is, dus moeten we nog een sulfaat erbij doen.                   Dan hebben we 1 aluminum en 2 Sulfaat. Totale is dan -1. We hebben dus                   nog een aluminium nodig. Dus hebben we 2 aluminium en 2 sulfaat, met een                 totale ladig van 2+, we hebben nu nog een sulfaat nodig en dan is hij neutraal.                     Dus we hadden 2 aluminium nodig en 3 sulfaat.
                       
            2)         Je kan ook omgekeerd vermenigvuldigen:
                        Al = 1 x (aantal +/- sulfaat) = 1 x 2 = 2                     2 aluminium
                        SO4 = 1 x (aantal +/- aluminium) = 1 x 3= 3             3 sulfaat


                        Formule:         AL2(SO4)3
                        Naam:             Aluminumsulfaat

                        Let er wel op dat je SO4 tussen haakjes doe, omdat je te maken hebt met een                samengesteld ion.


Je hebt ook metalen waarvan meerdere ionsoorten zijn, zoals ijzer; Fe2+ en Fe3+. Om te weten met welke dat je te maken hebt moet je eerst kijken naar de formule. Uit deze formule kun je bepalen om welke ijzer dat het gaat. Je kan hem ook uitrekenen als je de totale negatieve lading weet.

Voorbeeld 7:   ijzer(II)bromide
                        Achter ijzer staat (II) dit geeft het aantal + weer. Het gaat hiet dus om Fe2+
                        Broom heeft de lading Br1-. Je hebt dus 1 ijzer nog en 2 broom.

                        Formule:         FeBr2
                        Naam:             ijzer(II)bromide


Voorbeeld 8:   Formule: Fe2O3
                        Totale negatieve lading = 3 x -2 = -6. Omdat een zout niet geladen is, heeft Fe                +6 bij zich. Omdat je 2 ijzer hebt om je hem delen door 2. 6/2=3. Ijzer heeft                 dus de lading 3+

                        Naam:             ijzer(III)oxide


Vragen:
Geef van de stoffen aan of ze moleculaire zijn of een zout.
C6H12O6
Na2S
Ammoniumnitraat. (NH4NO3)

Geef de lading van ijzer (Fe) aan in de volgende formules.
FeSO4
Fe(NO3)3